Een gezonde bodem


Een bodem die in balans is, is tuinieren waarbij je neemt én geeft. Door iets terug te geven aan de bodem, voedt je die bodem en behoudt je een mooie tuin, elk jaar opnieuw.

De grond van de tuin is het fundament voor de planten. Net als een huis zonder fundering, piepen en kraken de planten en storten ze uiteindelijk in. Nu zijn planten, of beter gezegd de natuur, zeer robuust en houden ze het best nog een tijdje vol voordat ze doodgaan, maar sterke bloeiende en groeiende planten is natuurlijk wat we willen. Een gezonde bodem is een bodem met de juiste structuur, veel bodemleven, voeding en mineralen en heeft het vermogen water vast te houden en weg te laten lopen. Dat zijn de vier elementen die van wezenlijk belang zijn om planten goed te laten groeien, bloeien en oogst te geven.

Bodemstructuur

De bodem heeft een kruimelige structuur. Dat het wat kruimelig is, is gunstig omdat het luchtig is en de plant zo zijn wortels goed kan laten groeien. En zo’n structuur zorgt er ook voor dat de bodem niet dichtslaat bij droogte of heel veel regen. Het water kan gemakkelijk weg.

Water

De bodem moet van dien aart zijn dat het zelf voldoende water vasthoudt of laat weg lopen. Ze heeft een buffer van vocht en een structuur die water laat weglopen. Met humus* in de bodem wordt zo’n voorraadje vocht aangelegd. Je ziet het niet, maar grond is vochtig genoeg om de plant van water te blijven voorzien en vooral als het een droge periode is is dat van belang. En het is fijn dat je niet telkens water hoeft te geven, zo zijn de planten niet afhankelijk van jou en staat de waterkraan nauwelijks open.

Bodemvruchtbaarheid

Een vruchtbare bodem betekent dat de bodem het vermogen heeft om water en voedingsstoffen aan de plant te geven. Daarnaast heeft een bodem mineralen nodig omdat mineralen ervoor zorgen dat de voedingsstoffen de plant bereiken, als waren het kleine transportwagentjes die de voeding bij de plant brengen. Er zijn wel 60 verschillende soorten mineralen en elke plant heeft zo zijn eigen behoeften. Mineralen zijn dus essentieel om de plant te voeden. Het mooiste is als de bodem deze voeding heeft om het beschikbaar te hebben als de plant erom vraagt. Met het toevoegen van organische mest/compost helpen wij de bodem een handje en geven wij die bemesting. Deze compost geeft ook structuur aan de bodem.

Bodemleven

In de bodem zit als het ware een web van levende organismen die samen het bodemleven vormen. Het is een complexe wereld waarbinnen die organismen een interactie met elkaar hebben en zo zorgen voor de planten. Het is werkelijk een prachtig en ingenieus geheel wat zich in de bodem afspeelt. En wat die organismen betreft: dat zijn beestjes. En dan bedoel ik niet alleen wormen en insecten die je in de grond ziet, maar ook de duizelingwekkende hoeveelheid bacteriën, schimmels en andere micro-organismen. Zij zorgen ervoor dat vast materiaal verteert (op en in de bodem) en zo opneembare voeding wordt voor de planten. Al die beestjes dragen bij aan een goede structuur, luchtigheid, vruchtbaarheid en evenwicht van de bodem.

Kortom, het wemelt van het leven in de bodem van je tuin en om dat gezond te houden, tuinier je biologisch en voedt je je bodem. Het principe is voor elke (moes)tuinier dan ook vrij simpel: het is tuinieren waarbij je neemt én geeft. Door iets terug te geven aan de bodem, voedt je die bodem en behoudt je een mooie tuin.

Hoe ga je te werk?

Stap 1. Grondsoort

Allereerst moet je weten welke grondsoort je in je tuin hebt. De meest voorkomende grondsoorten in Nederland zijn:

Zand – Een losse makkelijk te bewerken grond die soms wat grotere deeltjes heeft (mini steentjes). Neem je deze grond in je hand dan loopt het makkelijk weg tussen je vingers. Zandgrond is weliswaar gemakkelijk te bewerken, maar het droogt snel uit, heeft weinig voedingsstoffen en geen humus*.

Klei – Deze grond is juist veel vaster dan zand met kleinere deeltjes. Als je klei in je hand neemt kan je er mee boetseren. Klei is moeilijker te bewerken; bij lange droogte wordt het keihard en spoelt het water weg. Het heeft wel vrij veel voedingsstoffen.

Leem – Deze grondsoort zit in het midden van zand en klei, en varieert tussen wat vettige leem (met meer klei dan zand) of juist schraler leem (met meer zand). Het laat gemakkelijk water door en neemt het ook op als het droger is. En omdat er eeuwenoude plantenresten in zitten, is het rijk aan voedingsstoffen.

Veen – In veen zitten nog veel meer eeuwenoude plantenresten (je leest er hier meer over) en heeft daarom heel veel humus*. Hierdoor is het ook vrij zure grond ondanks de grote hoeveelheid voedingsstoffen, en het is heel nat.

Stap 2. Voeding geven

Elk najaar/winter en soms ook in het voorjaar voorzie je de borders in je (moes)tuin van een laagje tuinaarde/compost. Daarnaast maak je de tuin niet winterklaar, maar laat je de boel de boel. De bladeren vallen op de grond, planten verdorren, bieden schuilplekken voor dieren en insecten en geef zaden aan de vogels. Deze bladeren en kleinere plantenresten worden verteerd en geven later voeding en structuur aan de bodem. In maart kan je dan je tuin opruimen door de rest van de plantenresten weg te halen en op de composthoop te leggen.

Stap 3. Mulchen

In het voorjaar als de planten hun frisse groen weer laten zien, breng je op de kale plekken om die planten heen een laagje aan. Dat laagje kan bestaan uit boomschors of houtsnippers, cacaodoppen, kokosvezels of compost. Deze laag beschermt de bodem tegen uitdrogen en inslaande regen. En onder die mulchlaag blijft het bodemleven in stand.

*Humus is verteerd organisch materiaal. Je kan het zelf maken door plantenresten, bladeren, takjes e.d. te verzamelen en daarvan compost te maken. Dat kan met een composthoop (groot of klein) en ook al met een wormenhotel voor als je weinig ruimte hebt.

In mijn tuin heb ik zandgrond en dat betekent werk aan de winkel. Mijn (moes- en siertuin) borders krijgen elk najaar een dekentje van bladeren die gaandeweg de tijd verteren. In de winter leg ik daar nog eens een laagje compost overheen. Dat doe ik meestal in januari, maar als je niet zeker weet waar welk plantje staat kan je beter wachten tot eind februari of maart zodat je het om de meeste net opkomende planten heen kan leggen. Door dit vroeg in het jaar te doen, bescherm je de bodem tegen harde regeninslag en vorst, en heeft het al de tijd om te vergaan. Afhankelijk van de planten (rozen, koolgewassen en bijvoorbeeld tomaten) doe ik er gaandeweg het seizoen nog eens compost bij. En om de bodem van mineralen te voorzien voeg ik er eens per jaar lavameel aan toe; dat strooi ik in het najaar uit en gaat vanzelf de bodem in. Als laatste voeg ik in het voorjaar een mulchlaag aan zodat de bodem overal bedekt is. In de vaste planten en kruidenborders leg ik boomschorssnippers en bij de moestuinplanten leg ik cacaodoppen omdat de slakken daar niet graag overheen gaan.

  • Als je meer wilt lezen, kijk dan eens bij Bio-Kultura. Je kan bij hen biologische tuinaarde/compost en potgrond kopen. En ze leggen meer uit over een gezonde bodem.
  • Ander leesvoer is het boek ‘Het bodemvoedselweb, alle kleine beestjes helpen’ van Jeff Lowenfels.
  • En als je meer wilt weten over lavameel, kijk dan eens bij BioSolutions.